Mode wordt vaak gezien als een middel om identiteit uit te drukken. Kleding fungeert daarbij als een visuele taal waarmee individuen zichzelf positioneren binnen sociale en culturele contexten.
Tegelijkertijd is deze veronderstelling problematisch. De relatie tussen kleding en identiteit is minder eenduidig dan vaak wordt aangenomen: waar kleding aan de ene kant wordt ingezet als expressiemiddel blijkt het in de praktijk dat deze expressie afhankelijk is van interpretatie, context en sociale codes.
Binnen dit spanningsveld bevindt zich dit onderzoek. De centrale vraag is in hoeverre kleding daadwerkelijk in staat is om identiteit zichtbaar te maken en waar de grenzen van deze vertaling liggen. In plaats van kleding te benaderen als een direct communicatiemiddel wordt onderzocht hoe identiteit binnen het ontwerpproces betekenis krijgt, vorm krijgt en soms ook wordt vereenvoudigd of teruggebracht.
De aanleiding voor dit onderzoek komt voort uit een combinatie van mijn eerdere werk op de academie en de opstart van mijn eigen ontwerppraktijk, waarin ik werk met persoonlijke verhalen en karaktereigenschappen als uitgangspunt.
Zo komen mensen naar mij voor een specifieke gelegenheid of werk ik mee aan sociale projecten, theaterstukken etc. Tijdens eerdere projecten merkte ik dat het vertalen van deze eigenschappen naar kleding niet vanzelfsprekend is maar dat ik mij hier graag de komende tijd verder in zou verdiepen. Eigenschappen zoals 'rust', 'complexiteit' of 'kracht' laten zich niet direct omzetten naar vorm, materiaal of silhouet zonder dat er keuzes en vereenvoudigingen plaatsvinden.
Dit vormt nu de basis voor de probleemstelling: in hoeverre kan kleding functioneren als drager van identiteit en wat gaat er verloren in deze vertaling? Het onderzoek wordt uitgevoerd vanuit een designperspectief en maakt gebruik van een research by design-benadering.
Dit betekent dat ontwerpen niet alleen het eindresultaat zijn maar ook dienen als middel om kennis te genereren. Door middel van praktijkvoorbeelden gebaseerd op zeven personen uit mijn directe omgeving wordt onderzocht hoe verschillende identiteiten worden geïnterpreteerd en vertaald naar draagbare kledingontwerpen. Tegelijkertijd wordt binnen dit onderzoek erkend dat deze vertalingen subjectief zijn. De ontwerpen zijn geen objectieve representaties van de personen maar reflecties van mijn interpretatie als ontwerper met een nauwe relatie tot deze personen. Dit benadrukt juist de rol van de ontwerper in het tot stand brengen van betekenis.
Naast het praktijkgerichte onderzoek wordt gebruikgemaakt van theoretische kaders uit de mode- en sociale theorie waaronder de semiotiek van Roland Barthes, de sociale presentatietheorie van Erving Goffman, de performativiteitstheorie van Judith Butler en de designpraktijk van hedendaagse ontwerpers zoals Martine Rose en Raf Simons. Deze theorieën worden niet alleen toegepast maar ook bevraagd aan de hand van de voorbeelden uit de praktijk.
Het doel van dit onderzoek is niet om een sluitende methode te ontwikkelen voor het vertalen van identiteit naar kleding maar juist om inzicht te krijgen in de mogelijkheden en eventuele beperkingen van deze benadering. Daarnaast ook de vraag naar de haalbaarheid na de academie, buiten een academische setting.
Dit onderzoek is relevant voor ontwerpers die werken met identiteit en persoonlijke narratieven maar ook voor een bredere discussie binnen de mode-industrie. In een tijd waarin individualiteit steeds vaker wordt benadrukt maar productieprocessen juist gericht blijven op schaalbaarheid, ontstaat een spanningsveld.
Volgende pagina is Onderzoek of ga terug naar Samenvatting.
